| |
Inventaris van het archief van het richterambt Oldebroek 1564-1811 P. van Beek, 1995
INHOUDSOPGAVE
INLEIDING
- Geschiedenis en organisatie
- Het onstaan van Oldebroek
- Bestuurlijke geschiedenis op de Veluwe
- Het richterambt Oldebroek
- De bestuurlijke taak van de richter
- Belastingen
- De rechterlijke taak van de richter
Bestuurlijke situatie in de Franse tijd tot 1814
- De archieven
- Verantwoording van de inventarisatie
- Geraadpleegde literatuur
- Bijlagen (functionarissen)
INVENTARIS
BESTUURLIJK
STUKKEN VAN ALGEMENE AARD
Correspondentie
Bekendmakingen
STUKKEN BETREFFENDE BIJZONDERE ONDERWERPEN
Personeel
Bevolking
Lijkschouwingen en medische hulp
Financiën
Belastingen
verpondingen
ambtslasten
overige belastingen en accijnsen
Waterschapszaken
RECHTERLIJK
STUKKEN VAN ALGEMENE AARD
STUKKEN BETREFFENDE BIJZONDERE ONDERWERPEN
Criminele rechtspraak
Civiele rechtspraak
Vrijwillige rechtspraak
Voogdij-aangelegenheden
CONCORDANTIE 1
CONCORDANTIE 2
BIJLAGEN
INDEX OP PERSOONSNAMEN EN AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN
INLEIDING
GESCHIEDENIS EN ORGANISATIE
Het ontstaan van Oldebroek
Van der Aa beschrijft in deel 8 van zijn
"Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden" Oldebroek als volgt:
"Dit dorp heeft zijnen naam te danken aan eenige arme Hollanders, die, na den verschrikkelijken zeevloed van 1170, van tijd tot tijd het land verlaten hadden, en wier landhoeven en bezittingen vermoedelijk door die overstrooming vernield waren. Deze begaven zich naar de Veluwe, waar zij vernomen hadden, dat zich eenige Friezen in het Veen (naderhand Kamperveen genaamd) als kolonisten hadden nedergezet. Gerhard, Graaf van Gelder, gaf, met toestemming der lands Edelen, aan eenige dier Hollanders vrijheid, om in de woeste onbebouwde streek het Broek of Oldebruch (naderhand Hollanderbroek), grenzende aan het Veen (Kamperveen) en de Wolden (Ooster-Wolden), zich te moogen vestigen, met bepaling, deze broekgronden en woeste velden te bebouwen, en schonk hun daarbij de zelfde voorregten, welke Otto van Gelder, de drie en dertigste Bisschop van Utrecht, aan zijne hoorige lieden in de aangrenzende streken had toegestaan, toen het Veen, benevens Wilsum, bebouwd zoude worden. In het jaar 1320 ondervonden de ingezetenen van het Hollanderbroek de bijzondere bescherming van Reinald, zoon des Graven van Gelre [...]"
Hiermee beëindig ik het citaat van Van der Aa.
Wat hield nu die bijzondere bescherming van de inwoners van het Hollanderbroek van 24 juni 1320 in? Reinald verstrekte de bewoners een zogenaamde landbrief van, samengevat, de volgende inhoud:
- vrijdom van allerhande schatting, dienst, bede en spandiensten, behalve de jaarlijkse tinsen en tienden (korentiend, smalle tiend van veulens, kalveren, zwijnen, lammeren, bijen, ganzen);
- het Heerenveld (gezamenlijk te gebruiken algemene grond) beweiden, daaruit turf en leem graven, en de heide maaien;
- wegen en wateringen in het broek gebruiken en onderhouden;
- aanstellen van een rechter, die over doodslag in het broek gepleegd zal richten zoals in het land gebruikelijk is, mishandeling beboeten, bij beroep overkomen tot het Engelanderholt;
- voldoen aan oproep tot "landwere met acht goede knapen om met wapenen op hun eigen kost te dienen".
Na het verstrekken van deze voorrechten komt de naam Oldebroek - in verschillende schrijfvarianten - in de daarop volgende eeuwen nog meer malen voor in oude acten. Op 6 december 1323 verzekert dezelfde Reinald de rechten der ingezetenen van het Hollander-Broek. In 1378 verleent hertog Willem van Gelre veiligheid aan de stad Elburg en omliggende buurschappen waaronder Audenbroeck. Op 21 december 1383 ontsloeg graaf Frederik van Meurs en heer van Baer "zijn keurmedige en horige lieden van den Hollanderbroek tegen betaling, zodat zij zich konden wenden tot welke heer zij wilden".
Toen in 1396 de stad Elburg met een ringmuur werd omgeven, werd Oldebroek aan Elburg dienstbaar. Het voordeel voor de inwoners van Oldebroek was de mogelijkheid om have en goed in geval van vijandelijke aanvallen binnen de muren veilig te kunnen stellen. In 1377 verleende Arnold van Horne, bisschop van Utrecht, vergunning om de Gelderse gracht te graven als grensscheiding tussen Kamperveen en Oosterwolde.
In 1516 trokken de Kampenaren uit wraak tegen de Geldersen op naar Oldebroek en verbrandden de huizen en schuren in het dorp. In 1537 werd op last van hertog Karel een ijzeren kanon gegoten om te worden geplaatst op de wal van Elburg. De kosten hiervan moesten worden opgebracht door de "kerspellieden" van Oldebroek en Doornspijk. Dat Oldebroek niet altijd even gehoorzaam was, moge blijken uit het volgende: op 16 mei 1568 kreeg Elburg toestemming om de ingezetenen van Oldebroek te bevelen de grachten en wallen te helpen opmaken. De burgemeester van Oldebroek weigerde dit op 19 augustus 1598. Vervolgens besliste het hof van Elburg op 28 augustus van dat jaar de Oldebroekers hiertoe te verplichten en de burgemeester werd gevangen gezet.
Als laatste vermelding geven we hier de mededeling dat de graaf van den Berg in 1629 Hattem opeiste. Oldebroek weigerde hieraan gehoor te geven en in reactie hierop werd op 16 augustus van dat jaar de kerk door een korps Kroaten in brand gestoken.
Daar de eerste stukken die in het archief van het richterambt voorkomen dateren uit het midden van de 16e eeuw, beëindigen we hier het kort historisch overzicht van de voorgeschiedenis van dit richterambt.
Bestuurlijke geschiedenis op de Veluwe
In 1921 publiceert Martens van Sevenhoven zijn Schets van de geschiedenis der burgelijke gemeenten in Gelderland vóór de invoering der Gemeentewet van 1851. Hij schetst hier een beeld van het ontstaan en de ontwikkelingen van de plaatselijke besturen in Gelderland. Hier geef ik, naar aanleiding van het door hem vermelde, een kort overzicht voor zover het de ontwikkelingen op de Veluwe betreft en een kleine algemene opzet.
De oudste administratieve indeling, waarvan de herkomst feitelijk niet bekend is, is die in buurschappen. In het gebied van een buurschap hebben de eigenaars en gebruikers (geërfden) zich verenigd om hiermee hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. Als geërfden hebben ze het beheer over de algemene gronden, houden ze zich bezig met onderhoud, treffen ze maatregelen voor veiligheid en orde en houden rechtspraak. Een dagelijks bestuur werd gevormd door enkele ingezeten geërfden, vaak buurmeesters of gezworenen genoemd. Binnen een buurschap bestonden nog kleinere eenheden, die werden aangeduid als rotten of gilden.
De indeling die als opvolger kan gelden van de vroegere buurschappen is die in kerspelen. Behalve de naam en het grondgebied veranderde er in de organisatie zeer weinig. Naast deze kerspelen was er ook sprake van bijvoorbeeld de stadsvrijheid. De kerspelen hebben, hoewel niet meer feitelijk functionerend, voortbestaan tot 1798. Onder de regering van de graven en hertogen van Gelre en Zutphen kwam de indeling in ambten tot stand. De ambtsgrenzen werden veelal getrokken langs de voormalige grenzen van de buurschappen. Het Vorstendom Gelre en de graafschap Zutphen was onderverdeeld in de kwartieren Nijmegen, Zutphen en Arnhem. Het laatste kwartier bestond uit het drostambt Veluwe, het richterambt Arnhem en Veluwezoon, het richterambt Wageningen en de scholtambten Harderwijk, Elburg en Hattem.
In dit geheel nam het richterambt Oldebroek, evenals overigens dat van Nybroek, op de Veluwe een bijzonder plaats in.
Het richterambt Oldebroek
De kern van de landsheerlijke taak bestond uit bestuur, rechtspraak, wetgeving en dijkbeheer. De in een ambt benoemde ambtenaren, zoals drost, schout en richter, behartigden de belangen van de landsheer. In de eerste plaats werkten zij echter samen met de geërfden in het ambt. De richter was tevens hulpofficier van de drost van Veluwe. Waarschijnlijk verrichtte hij voor de drost ook werkzaamheden in de omliggende schoutambten. Het grondgebied van het richterambt Oldebroek was veel kleiner dan de huidige gemeente Oldebroek. Zo hoorden Oosterwolde, Mulligen, Wezep en Hattemerbroek niet onder de jurisdictie.
De werkzaamheden van de richter waren vooral van justitiële aard. Hiernaast voerde hij de bevelen van de drost uit tot handhaving van orde en veiligheid. De richter hield zich ook bezig met het onderhoud van de grote wegen en andere zaken van algemeen belang. Tevens zorgde hij voor publicatie van besluiten van de overheid.
De richter in Oldebroek had, mede door de verworven privileges in de 14e eeuw, een veel zelfstandiger positie dan zijn collega's op de Veluwe. De richter was afkomstig uit de adel en werd benoemd door de hertogen van Gelre en vanaf 1579 door de Staten van Gelderland.
De functie van richter werd veelal verpacht. De richter moest bij zijn aantreden een borg stellen door de betaling van een bepaald bedrag in de landskas. Dit borgtocht stellen was een verplichting daar de richter mede de belasting inde en ook de rechterlijke taak bracht geld op.
Het gericht Oldebroek bestond uit de richter en een zestal door hem benoemde schepenen of gerichtslieden. In dienst van het gericht is aangesteld een secretaris (ook wel geheimschrijver genoemd) en een onderschout. Tevens heeft de richter een vervanger om tijdens zijn afwezigheid de zaken waar te nemen. Naast de rechterlijke en bestuurlijke taken van de richter, waarover hierna meer, verzorgde de richter in Oldebroek tevens de dijkschouw. Dit blijkt uit het feit dat de richters allen ook de titel dijkgraaf voerden.
Over de geschiedenis van de polder Oldebroek en de rol van de richter als dijkgraaf is kort geschreven in de inleiding van de Inventaris van het archief van de voormalige zeepolder/polder Oldebroek 1730-1959.
Hoewel in de hier voorliggende inventaris enkele stukken voorkomen met betrekking tot de werkzaamheden van de richter als dijkgraaf, laten we een verdere toelichting hier achterwege en verwijzen kortheidshalve naar bedoelde inleiding. De taken van het gericht werden veelal uitgevoerd in het richterhuis. Dit huis is gebouwd vlak na 1630 en stond iets ten noordwesten van de Lambertuskerk. De kosten van het ambtshuis kwamen voor rekening van de inwoners van het gericht. In 1748 werd door de ingezetenen geklaagd wegens het leegstaan van het ambtshuis en de kosten van reparatie terwijl de ambtslasten toch werkelijk al hoog genoeg waren (zie inventarisnummer 42). Het heeft dienst gedaan tot 1838 toen een nieuw gemeentehuis werd gebouwd. In het oude richterhuis werd een snelweverij gevestigd.
De bestuurlijke taak van de richter
Zoals hiervoor reeds vermeld had de richter meerdere taken. Eén daarvan was de bestuurlijke taak die hij verrichtte namens de landsheer. Op het belangrijkste deel hiervan, de belasting-inning, komen we hierna terug.
De schriftelijke neerslag van deze bestuurlijke werkzaamheden is slechts gering. In elk geval werden door de richter, naaste het aanstellen van de vaste gerichtsfunctionarissen en de schepenen, ook benoemingen gedaan van bijvoorbeeld een vroedvrouw, schoolmeester, koster en andere min of meer maatschappelijke functies. Tevens was de richter verantwoordelijk voor het verzorgen van bekendmakingen namens de landsheer en later namens de Staten van Gelderland. Maar het meest omvangrijke werk van deze bestuurlijke taak werd gevormd door de belastingschatting en -inning.
Belastingen
Allereerst een stukje algemene geschiedenis van de belastingen. Dit wordt uitgebreid beschreven door De Vrankrijker in zijn boekje Geschiedenis van de belastingen. Belasting-inning geschiedde vanouds vanwege de voorziening in de eigen behoeften van de plaatselijke besturen. Hiernaast kon de landsheer ook een belasting vragen, de zogenaamde bede. Dit quotenstelsel - bestaande uit een verdeling in de omgeslagen lasten - werd in 1583 definitief aanvaard en bleef feitelijk in stand tot 1795.
De plaatselijke besturen maakten afspraken met de heer over de bedragen die moesten worden afgestaan. Deze bedragen werden vervolgens omgeslagen naar geschat vermogen of veronderstelde inkomsten van de ingezetenen. Zo vond de uitzetting van de ambtslasten in Oldebroek plaats door de magistraat van de stad Elburg.
In het archief komen veel gegevens voor over de pondschatting. Dat is het schatten van vermogen als maatstaf voor het omzetten van de lasten. Deze verponding was gabaseerd op de opbrengst van onroerend goed. De waardering van de verponding neemt in de loop der tijden in hoogte steeds toe. Van een 100ste penning wordt het een 10e penning. Hiernaast werd bijvoorbeeld ook belasting geheven naar het aantal haardsteden; dat is het aantal stookplaatsen in een huis. Hieraan kon de welstand van de belastingbetaler worden afgelezen.
Naast deze belastingen werden er ook imposten geheven, vaak als plaatselijke inkomsten. Dit is een vorm van verbruiksbelasting of accijns op levensmiddelen en genotsartikelen. Zo lezen we, ook in Oldebroek, van de impost op wijn en azijn, op bier, op brandewijn, op het gemaal (granen en bonen), op zout, op zeep, op hoornvee (runderen van drie jaar en ouder) en op bezaaide landerijen.
Nog een manier om geld te ontvangen was het in de 17e eeuw ingevoerde klein zegel voor allerlei akten, overeenkomsten, requesten, transporten en dergelijke. Na de instelling van de Bataafse Republiek volgde een verandering van het belastingstelsel. Zo werd in 1798 een staatsregeling ingesteld die een eenvoudiger inning moest bewerkstelligen. Hiervan kwam echter de eerste jaren in de praktijk nog niet veel terecht. Vanaf ongeveer 1806 werd een nieuw belastingstelsel ingevoerd, opgesteld door I.J.A. Gogel. Dit bouwde voort op het reeds bestaande stelsel, maar vereenvoudigde een en ander. Zo werd de verponding omgevormd naar de grondbelasting en werd een personele belasting ingevoerd, evenals het successierecht, zegelrecht, patent, en belasting op huur en op personeel. Veel oude belastingen waren in dit nieuwe systeem opgenomen, maar de inning was veel eenvoudiger. Er was een beter inzicht, de verdeling was evenrediger, er bleef minder geld "hangen" en zodoende kwam er meer in staats schatkist terecht.
De rechterlijke taak van de richter
Alvorens wat meer te vertellen over de rechterlijke taak van de richter, allereerst een schets van de rechterlijke situatie in het algemeen.
De rechtsmacht is onder te verdelen in hoge en lage rechtsmacht. Onder hoge rechtsmacht verstaan we zaken zoals moord, verkrachting, brandstichting en dergelijke. Dit wordt ook wel de criminele jurisdictie genoemd. De lage rechtsmacht betreft boetstraffelijke zaken en civiele zaken. Dan spreken we ook nog van voluntaire jurisdictie of vrijwillige rechtspraak. Dit is het op rechtsgeldige wijze vastleggen van handelingen voor derden, zoals bijvoorbeeld de overdracht van onroerend goed.
De richter treedt op als voorzitter van het gericht. De schepenen of gerichtslieden worden door de richter benoemd uit de geërfden. Deze schepenen treden op als oordeelvinders en vonniswijzers. De criminele rechtspraak komt na 1795 alleen nog maar toe aan de nieuw ingestelde rechtbanken. De civiele rechtspraak werd na 1795 nog uitgevoerd door het gericht, vanaf 1802 onder leiding van de scholtis die hulpofficier van de drost was. Per 1 maart 1811 werden de schepenbanken officieel afgeschaft.
Als bijzonderheid voor het richterambt Oldebroek moet hier vermeld worden de ordonnantie om te protocolleren van 7 juni 1666 (zie inventarisnummer 193). Oldebroek was hierin een voorloper op vele gerichten op de Veluwe. Deze plaatselijke ordonnantie werd bekrachtigd door de resolutie van het kwartier op de landdag te Nijmegen in 1675, negen jaar later. De betreffende ordonnantie kan als volgt kort worden samengevat. Richter en schepenen ordonneren dat wegens fraude en bedriegerij alle acten door geërfden gezegeld in verband met onroerend en roerend goed (aliënatien, transporten, rentverschrijvingen, pandtschappen, tuchtingen) geprotocolleerd moeten worden. Alle akten moeten in het vervolg afgeschreven worden met de namen van kopers, verkopers en zegelaars. De ordonnantie zal hiertoe drie zondagen worden afgekondigd en vervolgens worden aangeplakt zodat ieder er rekening mee kan houden. Houdt men zich hier niet aan, dan kan de overeenkomst rechteloos worden verklaard. Men moet aan de inschrijving rechten kunnen ontlenen evenals duidelijkheid verkrijgen over de gepleegde handelingen. Oldebroek was hierin duidelijk vooruitstrevend.
Verder kan nog worden opgemerkt dat in 1701 een plaatselijke resolutie (zie inventarisnummer 29) wordt aangenomen waarin naast bepalingen over de gerichtsjura (betaling van de gerechtskosten) een eed wordt opgenomen voor de schepenen of gerichtslieden die worden aangesteld door de "wettigen officier".
Bestuurlijke situatie in de Franse tijd tot 1814
De bestuurlijke geschiedenis van Oldebroek na 1795 wordt beschreven door J. Tabak in zijn inleiding bij de Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van Oldebroek 1795-1813. Hier geef ik voor de overzichtelijkheid nog een korte samenvatting van dit verhaal, daar de richter in de praktijk na 1795 in Oldebroek nog blijft bestaan en het archief van het richterambt pas eindigt in 1811.
Na de Bataafse revolutie in de winter van 1794-1795 vond in februari 1795 de verkiezing van de municipaliteit (gemeenteraad) plaats. Dit betekent het einde van het bewind van de richter. De municipaliteit hield zich bezig met de inning van belasting, kerkelijke zaken, waterschapstaken en lagere rechtspraak inclusief notariaat. De municipaliteit koos een richter die als voorzitter fungeerde bij de uitoefening van de rechtspraak en bij de handhaving van de openbare orde. Vanwege slechte ervaringen met de laatste richter weigerde de municipaliteit in eerste instantie een nieuwe richter aan te stellen. Op 24 maart 1796 werd toch een nieuwe richter benoemd, na enige druk van hogerhand.
Na de staatsgreep in 1798 volgden bestuurlijke veranderingen. Oldebroek werd samen met Doornspijk, Oosterwolde, Elspeet en Ermelo opgenomen in de gemeente Nunspeet. Deze situtatie bleef gehandhaafd tot januari 1799 toen de oude grenzen weer werden hersteld.
In 1801 volgde weer een staatsgreep en de municipaliteit werd vervangen door ambtsbesturen, geleid door de meestvermogenden (geërfden). De nog steeds gehandhaafde secretaris werd benoemd tot schout en kreeg als extra taak de handhaving van de openbare orde. De richter verdween van het bestuurlijke toneel. Ondertussen was van een algemeen kiesrecht bepaald geen sprake en maakten de geërfden en vermogenden de dienst uit. In 1811 werden de gemeente opnieuw samengevoegd door de inlijving van het in 1806 ingestelde Koninkrijk Holland bij het keizerrijk van Napoleon. Zo gingen Oldebroek, Doornspijk en Oosterwolde op in de mairie Doornspijk. In plaats van het ambtsbestuur kwam er een municipale raad. In 1811 kwam ook de scheiding tussen bestuur en rechtspraak/notariaat tot stand. Zo kwamen er afzonderlijke rechtbanken en notarissen. Dit betekende het definitieve einde van de taak van het voormalige richterambt.
DE ARCHIEVEN
De archiefstukken van het richterambt, zowel de neerslag van de bestuurlijke als de rechterlijke taak, vormden rond 1800 nog één archief. Door de veranderde bestuurlijke organisatie in de Franse tijd bleef dit echter niet gehandhaafd.
De stukken die te maken hadden met de bestuurlijke taak van de richter kwamen toe aan de rechtsopvolger en dat was de municipaliteit en later het gemeentebestuur. Dit is ook de reden dat deze stukken als archief van het richterambt bewaard bleven in de gemeente Oldebroek.
Met de neerslag van de rechterlijke activiteiten was het anders gesteld. De rechtsopvolger van deze taak in de nieuwe bestuurlijke opzet was de rechtbank. Bij decreet van 29 mei 1800 werd bepaald dat archivalia betreffende criminele en civiele rechtspraak moesten worden overgebracht naar de rechtbank in het arrondissement. Aan deze oproep werd slechts spaarzaam gehoor gegeven. In 1810 (8 november) volgde er een herhaling van dit decreet. In veel gemeenten is deze opdracht pas uitgevoerd na de bevrijding van de Franse overheersing.
Dat de overdracht lang niet overal goed uitgevoerd was, bleek na de in werking treding van het Koninklijk Besluit van 8 maart 1879. Hierbij werd bepaald dat alle oudrechterlijke archieven moesten worden overgedragen naar de rijksarchieven in de provincie. Ook deze opdracht moest nogmaals herhaald worden en dit gebeurde bij Koninklijk Besluit van 9 oktober 1883. Uiteindelijk kwamen de rechterlijke stukken, na aan het einde van de negentiende eeuw nog door het gemeentebestuur van Oldebroek te zijn aangevuld, terecht bij het rijksarchief te Arnhem.
In verband met het belang voor lokaal historisch onderzoek werd op aandringen van mijn voorganger, de heer J. Tabak, in 1988 door het gemeentebestuur een verzoek gericht aan de rijksarchivaris in de provincie Gelderland om het oudrechterlijk archief van Oldebroek in bruikleen te mogen krijgen. Aan dit verzoek werd door de rijksarchivaris voldaan en op 12 januari 1993 werden de archiefstukken overgebracht naar de archiefbewaarplaats te Oldebroek. Hiermee bevonden de stukken van de twee taken van het richterambt zich weer op één lokatie.
Over de materiële staat van de stukken moet nog worden opgemerkt dat veel stukken schade hebben ondervonden door vocht en schimmel. Bepaalde gedeelten van het archief zijn hierdoor slecht leesbaar en (tijdelijk) niet raadpleegbaar. Restauratie heeft al voor een groot deel plaatsgevonden. Hierbij spreek ik de hoop uit dat dit over enkele jaren eveneens voor de rest van het archief mag gelden.
VERANTWOORDING VAN DE INVENTARISATIE
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het zogenoemde archief van het richterambt en het oudrechterlijk archief oorspronkelijk één geheel vormde. De inventarisator besloot hierom deze oude orde te herstellen en beide archiefbestanddelen samen te voegen en te beschrijven in één inventaris.
Het in Oldebroek aanwezige deel van het archief van het richterambt is decennia lang door de diverse bestuurders en ambtenaren bewaard bij het archief van het gemeentebestuur. In 1989 publiceerde de toenmalige archivaris, de heer J. Tabak, de Inventaris van het archief van het richterambt Oldebroek 1622-1795. Bij zijn inventarisatie heeft hij de stukken ingedeeld in de hoofdrubrieken stukken van algemene aard en stukken betreffende bijzondere onderwerpen. De stukken van algemene aard bestonden uit correspondentie en bekendmakingen. De stukken betreffende bijzondere onderwerpen waren onderverdeeld in de subrubrieken financiële administratie, belastingen, bevolking, openbare gezondheid, onderwijs, verkeer en vervoer, openbare verkoop. Hiermee hanteerde de inventarisator het basisschema wat ook geldt voor de indeling van de archiefstukken van het gemeentebestuur. Het ging hier om de bestuurlijke neerslag van de handelingen van de richter. Achterin de voorliggende inventaris bevindt zich een concordantie tussen de nummers van de inventaris uit 1989 en de huidige inventaris.
De archivalia als neerslag van de rechterlijke taak bevonden zich zoals gemeld bij het rijksarchief in Arnhem. Door een van de medewerkers van het rijksarchief (helaas is de naam onbekend) is het materiaal toegankelijk gemaakt middels de Inventaris van het oud-rechterlijk archief van het ambt Oldebroek. Ook het jaar van publikatie is niet te achterhalen. De beschreven stukken zijn ingedeeld in de volgende rubrieken: criminalia en fiscalia, civiele rechtspraak, vrijwillige rechtspraak, huishoudelijke zaken en niet rechterlijke stukken. De manier van beschrijven in deze inventaris is voor de gemiddelde onderzoeker zeker niet duidelijk en inzichtelijk genoeg. Dit was mede aanleiding voor de herinventarisatie van deze archivalia. Van de hernummering van de oude inventaris naar de in de nieuwe inventaris gehanteerde nummering is achterin eveneens een concordantie opgenomen.
Het totaal van archiefstukken van het richterambt Oldebroek is opnieuw beschreven en geordend. Vervolgens zijn de stukken onderverdeeld naar de twee hoofdtaken: bestuurlijk en rechterlijk.
Bij de hoofdtaak bestuur worden eerst de algemene stukken beschreven. Hieronder vallen de correspondentie en de bekendmakingen. De rubriek stukken betreffende bijzondere onderwerpen is verdeeld in de subrubrieken organisatie, personeel, bevolking, lijkschouwingen en medische hulp, financiën, belastingen, waterschapszaken. Vanwege de grote hoeveelheid stukken die betrekking hebben op de belastingen is deze rubriek gesplitst in enkele algemene stukken, archivalia betreffende de verponding, inzake de ambtslasten en betreffende overige belastingen en accijnsen.
De stukken die bewaard zijn gebleven als uitvloeisel van de rechterlijke taak van de richter zijn eveneens vrij omvangrijk. In dit taakgebied is, naast enkele algemene stukken, onderscheid gemaakt tussen criminele rechtspraak, civiele rechtspraak en vrijwillige rechtspraak. Afzonderlijk is nog opgenomen het onderdeel voogdij-aangelegenheden.
Achter in de inventaris is een tweetal concordanties opgenomen van de hernummering van de oude inventarissen naar de hier gehanteerde nummering. Vervolgens wordt in de bijlagen een overzicht gegeven van enkele functionarissen van het gericht en door de richter benoemd personen. De benoemingen op het gebied van waterschapstaken zijn niet opgenomen (zie hiervoor ondermeer de inventarisnummers 20-25).
De in de bijlagen opgenomen gegevens zijn niet volledig. De inventarisator hoopt hiermee een aanzet te geven tot nader onderzoek en hierdoor een uitbreiding van dit overzicht. Tot slot is een index op persoonsnamen en aardrijkskundige namen, die in deze inventaris worden vermeld, opgenomen.
De omvang van het archief van het richterambt is 5,6 strekkende meter.
Het archief is geheel toegankelijk; er zijn geen openbaarheidsbeperkingen van toepassing met uitzondering van de wegens de materiële staat niet raadpleegbare stukken.
Bij bronvermelding wordt verzocht dit archief te vermelden als: Archief richterambt Oldebroek, inv.nr. ..
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
- A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, dl. 8, blz. 401-405, Gorinchem 1846, herdruk Zaltbommel 1978.
- A.H. Martens van Sevenhoven, Schets van de geschiedenis der burgerlijke gemeenten in Gelderland vóór de invoering der Gemeentewet van 1851. In: Bijdragen en Mededelingen Gelre, deel XXIV, 1921, blz. 1-50.
- W. de Vries, Rechterlijke instellingen in Gelderland, Arnhem 1970.
- S.W. Verstegen, Gegoede ingezetenen. Jonkers en geërfden op de Veluwe tijdens Ancien Régime, Revolutie en Restauratie (1650-1830). Geldersche Historische Reeks XIX, Arnhem 1990.
- A.C.J. de Vrankrijker, Geschiedenis van de belastingen, Bussum 1969.
Artikelen in Uth het Oulde-Bruck, uitgave van de Oudheidkundige Vereniging "De Broeklanden".
- G. Wentzel, Oldebroeker predikant had in 1749 twee "coebeesten",
juli 1984, 4e jaargang nr. 3.
- H. Fikse, Iets over het oud-archief van de Gemeenten Doornspijk en Oldebroek,
april 1986, 6de jaargang nr. 2.
- H.J. van de Zedde (naar G. Wentzel), Het hart van Oldebroek,
januari 1992, 12e jaargang nr. 1.
- J.M. Verhoef, De oude Nederlandse maten en gewichten, Amsterdam 1983.
- D.T. Koen, Inventaris van de archivalia afkomstig van de dorpsgerechten in de provincie Utrecht 1489-1811, Utrecht 1985.
- Inventaris van het oud-rechterlijk archief van het ambt Oldebroek (auteur niet bekend, RA-Gelderland, z.j.)
- J. Tabak, Inventaris van het archief van het richterambt Oldebroek 1622-1795, Oldebroek 1989.
- J. Tabak, Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van Oldebroek 1795-1813. Oldebroek 1990.
- Inventaris van het archief van de voormalige zeepolder/polder Oldebroek 1730-1959 (auteur niet bekend, Polderdistrict Noordwest-Veluwe, z.j.).
INVENTARIS
BESTUURLIJK
- STUKKEN VAN ALGEMENE AARD
Correspondentie
1-5. Ingekomen en minuten van uitgegane stukken, met name tussen de richter en de secretaris van het gericht, over algemene zaken, 1696-1793 en z.j. 4 pakken en 1 omslag
- 1696-1759
- 1760-1767
- 1768-1779
- 1780-1793
- z.j. (omslag)
Bekendmakingen
6-12. Ingekomen en concepten van uitgegane stukken bij de richter, voornamelijk afkomstig van de raden van het vorstendom Gelre en de graafschap Zutphen, 1564-1790. 7 pakken
N.B. Het betreft hier vooral correspondentie inzake te verrichten publikaties en bekendmakingen. Over de periode 1791-1794 is geen correspondentie aanwezig.
- 6. 1564, 1674-1749
- 7. 1750-1759
- 8. 1760-1769
- 9. 1770-1779
- 10. 1780-1783
- 11. 1784-1786
- 12. 1787-1790
13-16. Ingekomen en concepten van uitgegane stukken bij de richter, voornamelijk afkomstig van
- de raden in den Hove van Justitie in Gelderland, later van de provisionele Drost van Neder
- Veluwen, 1795-1806.
- 4 pakken
- 13. 1795-1797
- 14. 1798-1801
- 15. 1802-1803
- 16. 1804-1806
17-18. Ingekomen en concepten van uitgegane stukken bij de richter, voornamelijk afkomstig van
- de Bailluw van Neder Veluwen, 1807-1810.
- 2 pakken
- 17. 1807-1808
- 18. 1809-1810
19. Bekendmakingen, 1694-1783 en z.j.
- 1 omslag
- STUKKEN BETREFFENDE BIJZONDERE ONDERWERPEN
- Personeel
20. Register met afschriften van aanstellingen van de richter en dijkgraaf in het richterambt
- Oldebroek over 1686-1760, aangelegd ca. 1750.
- 1 deel
21. Register met afschriften van aanstellingen van de gerichtsdienaar of schout over 1694-1760,
- aangelegd ca. 1750.
- 1 deel
22. Akten van aanstellingen van ambtenaren van het gericht, 1685-1790. - 1 omslag
23. Register met afschriften van aanstellingsakten en benoemingen van de richter,
- plaatsvervangend richter, schepenen, kerkmeesters, gildemeesters, aalmoeseniers
- of diakenen, santgraven, sluismeesters, heemraden, dijkschrijvers, secretaris, fiscael,
- gerichtsdienaars, ontvanger, koster-schoolmeester, schout of gerichtsdienaar,
- orgelpoetser, vroedvrouw, doodgraver, schoter, graftemaker van de Gelderse Graft,
- oppasser van sluizen en bruggen en armjager, 1749-1799.
- 1 deel
- N.B. Volgens een mededeling op het schutblad is dit deel aangekocht bij Quint in
- Gouda in november 1886 voor een bedrag van f 3,02½. Het rijksarchief in
- Gelderland registreerde deze aanwinst onder nummer 33. Dit deel heeft
- oorspronkelijk wel tot het archief behoord. "Registrature van akten van aanstellingen".
24. Register met afschriften van aanstellingen van bedienden bij het gericht, 1750-1773. - 1 deel
25. Register met afschriften van aanstellingen van armenjager en ambtsdienaar, 1751-1759. - 1 deel
26. Afschrift van het aanstellingsbesluit door de richter van Oldebroek van Jannetje Gijsberts van
- Doorn uit Elspeet tot vroedvrouw voor het ambt Oldebroek, 1783 maart 17, met verklaring
- van te betalen salaris, 1783 maart 17, met bijlagen inzake referenties, 1775-1781.
- 1 omslag
27. Afschrift van het aanstellingsbesluit door de richter van Oldebroek van Berent van Langen als
- schoolmeester in de ontstane vacature door het overlijden van Gerrit Arents Stange,
- 1716 maart 2.
- 1 stuk
28. Stukken betreffende de sollicitatieprocedure in de vacature voor schoolmeester, ontstaan door
- het overlijden van Berent van Langen, 1761.
- 1 omslag
29. Resolutie betreffende het betalen van de gerechtskosten, met eedsaflegging door de
- schepenen, 1701.
- 1 stuk
30. Concept-instructie voor de voerman en commissaris van de postwagen voor de route van
- Hattem op Elburg, 1747.
- 1 stuk
31. Stuk houdende formulering van de eed voor onderschout en de eed voor de stads- dienaar,
- z.j.
- 1 stuk
- Bevolking
32. Lijst van de huisgezinnen en het aantal personen per gezin, 1748. - 1 deeltje
33. Lijst van weerbare mannen tussen de 18 en 50 jaar in het richterambt, 1789. - 1 stuk
- N.B. Deels slecht leesbaar wegens vochtschade.
- Lijkschouwingen en medische hulp
34. Stukken betreffende lijkschouwingen door de chirurgijn en medisch doctor, 1752-1808. - 1 pak
35. Extract uit het resolutieboek van de Rekenkamer van Gelderland betreffende de te betalen
- vergoeding wegens het "visiteren van dode lichamen", 1767 dec. 3.
- 1 stuk
- N.B. Dit stuk komt uit inventarisnummer 34 en heeft betrekking op de lijkschouwingen
- in de periode 1752-1760.
36. Verklaringen van meester-chirurgijn Harmen Smeeding te Oldebroek wegens het behandelen
- van gewonden door steekpartijen, 1754, 1756 en 1768.
- 3 stukken
- Financiën
37. Bijlagen bij de rekeningen van de richter, 1692, 1706, 1709. - 1 omslag
- N.B. De rekeningen zijn verloren gegaan.
38. Rekeningen en kwitanties betreffende gedane uitgaven voor het richterambt, zoals kosten
- voor kleding, het ambtshuis, representatie, administratie en personeel, 1755-1795.
- 1 pak
- N.B. Niet compleet.
39. Overzichten van door derden aan richter D. Feith in rekening gebrachte kosten voor leveranties
- en diensten, 1691-1703.
- 1 omslag
- N.B. Deels slecht leesbaar door vochtschade.
40. Stukken betreffende een geschil tussen de geërfden van het ambt Oldebroek en de
- magistraat van Elburg inzake het leggen van een nieuwe sluis tussen de stadsgracht en
- de haven van Elburg, 1694-1697.
- 1 omslag
- N.B. In slechte staat.
41. Stukken houdende toestemming van de richter aan particulieren om te mogen collecteren,
- 1737-1770 en z.j. Minuten.
- 1 omslag
- N.B. Deels in slechte staat.
42. Bezwaarschrift door inwoners van het ambt Oldebroek tegen het gericht, ondermeer
- betreffende het leegstaan van het ambtshuis en de hoge ambtslasten, (c. 1748).
- 1 stuk
43. Stukken betreffende de opdracht om zich met zeven wagens, ieder bespannen met twee
- paarden, te begeven naar Arnhem om zich in dienst te stellen van het Engelse leger,
- 1794.
- 2 stukken
- N.B. Geurt Jans weigert zich als conducteur aan te melden bij de Engelse commissaris
- Le Mesaurier in de Zwanesteeg te Arnhem.
- Belastingen
44. Verklaringen van getuigenverhoor inzake het niet betalen van de belasting voor nieuw- ontgonnen grond, 1668, 1670.
- 1 omslag
45. Stukken betreffende het proces voor het Hof van het vorstendom Gelre en de graafschap
- Zutphen tussen de magistraat van Elburg en richter en schepenen van het richterambt
- Oldebroek inzake de uitzetting van de ambtslasten, 1680-1681.
- 1 omslag
46. Lijst van rundvee dat in het richterambt in 1719 aan de besmettelijke ziekte is gestorven,
- 1720.
- 1 stuk
- N.B. De aantallen bedragen 200 melkkoeien, 54 vaarzen en 58 pinken.
47. Register waarin staat geregistreerd het aantal woningen, de naam van de bewoner, het
- beroep, aantal gezinsleden, personeel, aantal haardsteden, hoeveelheid bebouwd land
- en de aanslag voor de accijns, met verwijzing naar het pachtboek, 1749.
- 1 deel
- Verponding
- Inleiding verponding
48-49. Kohieren van verponding voor het ambt Oldebroek inclusief Kamperveen, 1622-1623. - 2 stukken
- 48. 1622
- 49. 1623
50. Kohier van schildschatting voor het ambt Oldebroek, 1623. - 1 stuk
51-52. Kohieren van verponding voor het ambt Oldebroek inclusief Kamperveen, 1624, 1626. - 2 stukken
- 51. 1624
- 52. 1626
53. Kohier van verponding in het ambt Oldebroek, 1648. - 1 deel
- N.B. Belasting 9e penning (gebouwd) en 6e penning (ongebouwd).
- Voorste en achterste pagina's ontbreken.
54. Kohier van verponding, 1648, afgesloten in 1650. Afschrift. - 1 deel
- N.B. Dit deel is een afschrift van inventarisnummer 53. De in deel 53 ontbrekende
- pagina's zijn hier wel aanwezig.
- Voorin staat een memorie: "Dat dit Ampt heeft te onderholden, tot laste der landerijen
- 2 holte sluijsen waer van de ene gecost heeft 2 a 2300 gulden en de andere moet
- vernieut worden. Noch 2 bruggen over de Geldersche graft en vijf kommen die ijeder
- oock wel 50 dalers costen."
55. Kohier van verponding en het bezit van rundvee, waarbij tevens het aantal personen van
- vijf jaar en ouder per gezin wordt vermeld, 1682.
- 1 stuk
56-58. Kohieren van verponding, 1685, 1694, 1696. - 3 stukken
- N.B. De inventarisnummer 57 en 58 zijn door vochtschade deels slecht leesbaar.
- 56. 1685, met aantekeningen
- 57. 1694
- 58. 1696
59. Register houdende:
- - kohier van verponding, 1697
- - kohier van de 40ste en 50ste penning, 1697-1705
- - kohier van de 500ste penning, 1697-1698
- - kohier van de "vijf speciën", belasting op meel, vlees, zout, rundvee en bouwland,
- 1696-1699.
- 1 deel
- N.B. Met enkele losse stukken inliggend.
60. Kohier van verponding, alfabetisch geordend, met borderel van te verwachten opbrengsten,
- 1753, met aantekeningen van veranderingen, 1753-1797.
- 1 deel
- N.B. "Maancedulle van de Ordinaire verponding van 't Regter Ampt Oldebroek"
61-62. Kohieren van verponding, 1768-1772. - 2 delen
- 61. 1768 dec. 8 - 1769 mei 6
- 62. 1769 mei 1 - 1772 april 2
63. Kohier van verponding, alfabetisch geordend, 1769-1771. - 1 deel
- N.B. Grotendeels gaat het hier om dezelfde gegevens als in de inventarisnummers
- 61 en 62.
64. Kohier van verponding, alfabetisch geordend, 1772-1776. - 1 deel
65. Kohier van verponding, alfabetisch geordend, met borderel van te verwachten opbrengsten,
- 1773.
- 1 deel
66. Processen-verbaal betreffende de door het richterambt Oldebroek op te brengen aandeel in de
- verponding, uitgezet voor de jaren 1749-1794, 1749-1793.
- 1 pak
- N.B. Het gaat hier om de inning van de 6e penning van de landerijen en hoven en de
- 9e penning van de huizen en molens. De verbalen voor de uitzetting over de jaren
- 1787-1788 en 1791-1792 ontbreken.
67. Aantekeningen van de ontvanger der verponding inzake veranderingen zoals verdeling en
- splitsing van het onroerend goed, 1781-1798.
- 1 omslag
- N.B.Deze aantekeningen betreffen inventarisnummer 65.
68. Lijst van nieuw ontgonnen grond en gebouwde huizen tussen 1628 en 1669, opgemaakt ten
- behoeve van de belastingheffing, (c. 1670). Afschrift.
- 1 stuk
69. Stukken betreffende de verponding, 1682-1781. - 1 omslag
70. Stukken betreffende de door C.W. van Haersolte tot Staveren te betalen verponding wegens
- zijn bezit van de Zwaluwenburg en bijbehorende landerijen en erven, met afschriften van
- retro-acta, 1765-1766.
- 1 omslag
- ambtslasten
71. Kohier van belasting voor de ambtslasten, 1707-1709. Afschrift. - 1 stuk
72-82. Kohieren van belasting voor de ambtslasten, met rekening van de kosten, 1748-1791.
- Afschriften.
- 10 delen en 1 omslag
- 72. 1748-1751
- 73. 1752-1753 (omslag)
- 74. 1770-1771
- 75. 1772-1773
- 76. 1774-1775
- 77. 1776-1777
- 78. 1778-1779
- 79. 1780-1781
- 80. 1782-1783
- 81. 1784-1785
- 82. 1790-1791
83. Stukken betreffende een geschil inzake het innen van de ambtslasten van de onderscheiden
- hoveniers van de heer van Zaluwenburg, C.W. van Haersolte, 1765.
- 1 omslag
- overige belastingen en accijnsen
84. Kohier van de 20ste penning met gegevens vanaf 1666 betreffende de inning over de jaren
- 1687-1693.
- 1 stuk
- N.B. Door vochtschade deels slecht leesbaar.
85. Stuk houdende een opgave van bij de inwoners van het ambt Oldebroek aangetroffen en
- aangegeven voorraden wijn, bier, azijn, zeep en mout, 1682-1686.
- 1 stuk
- N.B. Door vochtschade deels slecht leesbaar.
86. Stukken betreffende verschillende belastingen, waaronder die op de vijfhonderdste penning,
- op bieren en op gedistilleerd, 1682-1776 en z.j.
- 1 omslag
- N.B. In zeer slechte staat.
87. Kohier van de 500ste penning, 1694. - 1 stuk
- N.B. Door vochtschade deels slecht leesbaar.
88. Kohier van de 500ste penning, 1694, met aantekeningen betreffende betaling van deze
- personele vermogensbelasting, 1694-1695.
- 1 stuk
- N.B. Door vochtschade deels slecht leesbaar. Dit kohier vermeldt dezelfde gegevens
- die voorkomen in inventarisnummer 88. Hiernaast komen nog meer gegevens
- voor.
89. Lijst van aangeslagenen voor de belasting op wijn, bier, mout, zeep, azijn, schillincxs en
- het passagegeld, 1695-1696.
- 1 stuk
- N.B. In slechte staat
90. Kohier van de accijns op huisbier en schillincxs, 1696-1697. - 1 stuk
- N.B. "Cedule van Huijsbyer en schillincxs accijns beginnende mit den 1 july 1696".
91. Stukken betreffende de 40ste, 50ste en 100ste penning, 1696-1798. - 1 omslag
- N.B. In zeer slechte staat.
-. Register houdende:
- - kohier van verponding, 1697
- - kohier van de 40ste en 50ste penning, 1697-1705
|
|
|